01. 5 tips om de woordenschat van je peuter uit te breiden

Wat als de taal van je peuter uitblijft? Lees hier 5 tips!

Het lijkt zo vanzelfsprekend dat je kindje leert praten. Maar wat als het minder snel gaat dan je dacht? En dat eerste woordje uitblijft? In deze eerste podcastaflevering van Vanzelfsprekend geef ik je 5 tips waarmee je kindje die eerste woordjes wél zegt. Spreekt hij al? Dan vind je hier enkele ideeën om zijn woordenschat uit te breiden en te stimuleren.

Ieder kind is anders

Volgens de geldende mijlpalen en normen zou je kindje op 12 maanden zijn eerste woordje gezegd moeten hebben. Is dat bij jullie niet het geval? Haal dan toch maar opgelucht adem: kinderen ontwikkelen op hun eigen tempo. Die mijlpalen zijn maar richtlijnen en geen voorwaarden voor een goede ontwikkeling. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat jongens net iets later zijn dan meisjes. En staat jouw kindje motorisch al iets verder dan zijn leeftijdsgenoten? Dan is het logisch dat taal wat uitblijft. Mijn eigen zoontje, Noah, is op het moment dat deze aflevering verschijnt ongeveer 2 jaar. Op 12 maanden zei hij geen woordjes, terwijl hij er nu meer zegt dan dat hij er op zijn leeftijd zou moeten kunnen. Hou dus in het achterhoofd dat kinderen sprongen maken in hun ontwikkeling en dat ze dat op hun eigen tempo doen. En wat is een woord eigenlijk? Het is alles wat je kindje consistent gebruikt voor een voorwerp, persoon of dier. Bijvoorbeeld ‘woef’ voor een hond, ‘hmm’ voor ‘lekker’ of zelfs ‘ta’ voor daar. Het hoeft dus lang niet volledig juist te zijn, zolang je kindje die klanken of uitdrukkingen consistent gebruikt om iets te benoemen. Hoe stimuleer je die woordenschat dan? Met de volgende 5 tips bijvoorbeeld.

1. Besef dat taal overal is en blijf herhalen

In de keuken, in de badkamer, in de auto of in de winkel … elke plek waar je met je kindje komt, biedt een zee aan mogelijkheden om zijn woordenschat te stimuleren. Doe je je kinderen in bad? Dan kan je woordjes rond de lichaamsdelen aanbieden. Zeg bijvoorbeeld ‘voet’, ‘voet wassen, ‘ik was jouw voet’ of ‘waar is jouw voet?’.

Valt er je al iets op? Je hebt het woord ‘voet’ verschillende keren herhaald. En laat dat nu net cruciaal zijn! Om een woord te onthouden, moet je het vaak zien en horen. Liefst in verschillende situaties. Probeer het woord ‘voet’ dan ook in andere contexten te herhalen. Noah slaapt bijvoorbeeld in een slaapzak en elke ochtend vraag ik: “Waar zijn jouw voeten?”. Nu zegt hij ‘oe’: het klinkt nog niet helemaal zoals ‘voet’, maar het is wel een woordje.

2. Zing liedjes

Liedjes zijn niet alleen leuk om te zingen, ze stimuleren ook de beide hersenhelften van je kindje: het spraakgedeelte in de linkerhersenhelft en het melodische en het ritmische in de rechterhelft. Liedjes rijmen ook vaak, waardoor het voor oudere kinderen makkelijker is om zich het rijmende woord te herinneren.

Zing je een liedje met je peuter dat hij al een paar keer heeft gehoord? Stop dan plots eens met zingen. Het onderbreekt de bekende routine en stimuleert je kindje om aan jou te communiceren om verder te gaan. Neem het liedje Op een grote paddenstoel, bijvoorbeeld. Stop daar eens voor je ‘krak’ zegt. De kans is groot dat je kindje ‘krak’ zegt of iets dat erop lijkt. Dan zing je verder. Zo leert je peuter begrijpen dat communicatie actie en reactie is: als hij communiceert, gaat het liedje verder.

Liedjes zijn ook een perfecte manier om woordjes aan te bieden die je kindje thuis niet leert. Liedjes over kippen, bijvoorbeeld. Als je thuis geen kippenhok hebt, komt hij niet (vaak) in aanraking met kippen, eitjes of kuikentjes. Dankzij liedjes leert je peuter die woorden ook kennen.

3. Benoem je eigen handelingen en die van je peuter in plaats van vragen te stellen

We hebben we vaak de neiging om vragen te stellen waar wij als volwassene geen antwoord op verwachten. Je kindje begrijpt dat natuurlijk nog niet en zal toch willen antwoorden. Als dat niet lukt of hij twijfelt over het woord, kan dat op de duur voor spreekdruk zorgen. Hij voelt zich dan minder veilig in zijn omgeving, wat minder positief is voor de taalontwikkeling.

Hoe vermijd je dat? Door vaststellingen te doen in plaats van vragen te stellen. Komt je kind bijvoorbeeld aanlopen met een lepel? Vraag dan niet: “Oh heb jij een lepel?” maar zeg: “Oh, jij hebt een lepel”. Een minimaal verschil en toch haalt het de druk om te antwoorden bij je kindje weg.

Als je dat verschillende keren hebt herhaald, kan je er een aanvulzin van maken: “Oh, jij hebt een …”. Vult je peuter aan? Dan is dat super. Doet hij dat niet? Dan kan jij alsnog aanvullen en is er geen sprake van druk.

Onthoud ook dat jouw peuter ontzettend veel naar jou kijkt (én kopieert). Benoem dus ook wat je zelf doet. Kleed jij je om? Of kleed je zijn zusje aan? Praat dan. Zeg dat je eerst een broek aandoet en dan een T-shirt. Zo hoort hij die woordenschat telkens opnieuw en pikt hij die sneller op.

4. Lees boekjes voor

Boekjes zijn een mooie bron van woordenschat en verhalen. Je komt meteen in een andere wereld terecht. In boekjes voor baby’s en peuters staan vaak prentjes met 1 woordje bij. Je kan dat woord benoemen en herhalen, maar je kan er ook nog veel meer mee doen!

Neem nu een boerderijboekje met een schaap in. Je hoeft je niet te beperken tot ‘schaap’. Je kan ook dingen zeggen als ‘wit’, ‘zacht, ‘lief’, ‘groot’ of ‘klein’: de mogelijkheden zijn eindeloos.

Is je kindje niet geïnteresseerd in de inhoud van het boekje? Stapel wat boekjes op en zeg bijvoorbeeld ‘boem’ als de toren valt. Of doe het boekje open en dicht en zeg ‘open, toe’. Dat vond Noah bijvoorbeeld heel leuk. Wil je meer info over voorlezen? Beluister dan zeker podcastaflevering 3.

5. Ga naar buiten

Ik schreef het al: taal is overal. De wereld ligt letterlijk aan onze voeten. Zelfs als je nog maar in de voortuin of op de oprit staat, kan je al gemakkelijk 10 of 20 woorden aanbieden. Kijk maar eens naar boven. Handige woordjes daar zijn ‘wolken, ‘maan’, ‘lucht’, ‘sterren’, ‘hoog’, ‘blauw’, ‘licht’, ‘donker’. En dan hebben we nog niet eens naar beneden gekeken!

Of trek naar de speeltuin. Zeg ‘whie’ als je samen van de glijbaan gaat, bijvoorbeeld. Of zeg ‘nog’ of ‘hoger’ als je je kindje op de schommel duwt. Ga samen naar de bakker, de supermarkt, het park, … overal vind je woordenschat.

Hou in het achterhoofd dat ieder kind anders is. Ze leren en ontwikkelen allemaal op een andere manier. Daarom werken alle tips niet per se voor alle peuters. Probeer ze allemaal eens uit. Vind je iets dat goed werkt? Herhaal het zoveel mogelijk met allerlei woorden!

Ik wens jullie heel veel praatplezier!

Janne

PS: Wil je deze tips altijd bij de hand hebben? Download ze helemaal gratis in dit handige overzicht.