33. Mijn stotterverhaal

Ik stotter. Misschien wist je of hoorde je dat al. Of misschien ook helemaal niet. Een stottertherapeute die zélf stottert? Jawel! En ik ben er trots op ook. Al heb ik daarin een hele weg afgelegd. In podcastaflevering 33 neem ik je mee in mijn stotterverhaal.

Ingrijpende gebeurtenis

Van stotteren weten we dat het in de hersenen zit en dat het erfelijk is. Maar wist je ook dat die stotter er niet per se uitkomt tot je een uitlokkende factor hebt? Zo’n factor kan verschillende dingen zijn: een grote gebeurtenis, heel veel emoties, of je taalontwikkeling die plots de lucht in schiet, bijvoorbeeld.

Mijn uitlokkende factor? Het overlijden van mijn papa toen ik 3 jaar was. In 2022 is dat 25 jaar geleden. Zo’n gebeurtenis heeft natuurlijk een enorme impact op het leven van een kindje, wat volgens mij de factor is geweest die mijn stotteren naar boven heeft gebracht.

Na een tijdje stelde mijn mama me voor om toch naar een babbeljuf of stottertherapeut te gaan, waar ik me als kleuter enorm tegen verzette. Ik wou het écht niet. Dus borg mijn mama dat plan op in de kast en groeide ik op met mijn stotter.

Vechtgedrag

Op de duur begon ik te beseffen dat ik stotterde, waardoor ik het er moeilijk mee kreeg. Andere kinderen begonnen er bijvoorbeeld opmerkingen over te maken. Zo vroeg een meisje in de kleuterklas me: “Waarom zeg jij alles twee keer? Dat is toch niet juist?”.

Dat zorgde ervoor dat ik me tegen mijn stotter begon te verzette: ik begon met m’n ogen te duwen en met m’n hoofd te knikken om mijn woordjes er toch uit te duwen. Dat was puur vechtgedrag. Helaas maakt dat het stotteren eigenlijk alleen maar erger. Mijn spreekattitude ging er ook door omlaag: ik dacht heel negatief over hoe ik sprak.

Mijn stotters waren herhalingen, waarbij je dus een (stukje) woord of letter herhaalt, zoals ‘ta-ta-ta-tafel’ of ‘ik ik ik ik’. En ook blokkeringen, waarbij je luchtstroom stopt, zoals ‘ik wil naar het … park’. Die laatste gaat vaak gepaard met spanning in de mond. Voor mij voelde het alsof mijn lippen, keel of tong bleven plakken.

Het is oké

Ook de lagere school beleefde ik al stotterend. Er werd thuis niet echt over gesproken omdat het ook niet als een probleem werd gezien. Mijn mama zei altijd: “Dat is toch oké? Jij bent wie je bent!” Dat vond ik heel fijn, want dat krikte mijn spreekattitude weer op en nam mijn stotter een beetje af.

Daarom vind ik het ook zo belangrijk om dat mee te geven aan kindjes met een stotter en hun ouders: praat er positief over en niet negatief, en lach er nooit mee.

Of toch niet?

In het middelbaar stotterde ik iets minder. Er zat toen ook een jongen in mijn klas die óók stotterde, wat me plots het fijne gevoel gaf dat ik niet alleen was. Ik vond het schitterend dat hij ook stotterde!

Die jonge stotterde helaas erger dan ik, wat hem het mikpunt van opmerkingen maakte. Dat mijn klasgenoten met hem lachte, maakte me opnieuw onzeker: is het dan toch niet oké om te stotteren? Is het dan toch niet oké om te zijn wie ik ben? Mijn spreekattitude ging weer omlaag.

Pure paniek

Toen ik naar het hoger onderwijs trok, besloot ik om logopedie te studeren. Op dat moment wist ik nog helemaal niet dat logopedisten ook stottertherapeut konden worden.

Ik herinner me de eerste les ‘Vloeiendheid’ in onze eerste week nog alsof het gisteren was. Op de eerste slide van de PowerPointpresentatie stond: ‘Stotteren: definitie’. Mijn maag zonk in mijn schoenen en ik schoot in paniek. Ik zit hier niet op mijn plek! Hoe kan ik ooit logopediste worden als ik zelf stotter?! Ik ga een andere richting moeten kiezen! Ik moet heel mijn leven omgooien! Dat waren enkele gedachten die toen de revue passeerden.

Met de tranen in m’n ogen trok ik na de les naar de prof en legde huilend uit wat er aan de hand was. Tot mijn grote verbazing zei die: “Dat is toch helemaal niet erg, ik denk zelfs dat het goed is. Zo kan je je veel beter inleven in de kindjes en beter met hen en hun ouders verbinden.” Met andere woorden: ik heb twee uur zitten panikeren voor niks. Na die fijne woorden werd het vak ook eentje waar ik telkens naar uitkeek, omdat ik zoveel bijleerde. Over mezelf, over anderen en over stotteren.

Als ik als kind therapie zou hebben gehad, dan had ik al veel meer geweten over stotteren, maar waren de dingen misschien helemaal anders gelopen en had ik misschien andere keuzes gemaakt. Al bij al ben ik dan ook blij dat alles is gelopen zoals het nu is.

Mijn plek

Toen ik afstudeerde als logopediste had ik eigenlijk nog niet met kindjes met een stotter gewerkt, wat ik net graag wou. Ik wist ook dat ik met kleuters wou werken. Dus besliste ik om een extra postgraduaat om stottertherapeut te worden. Daarvan brachten we één week in Finland door en één in België.

Eenmaal aangekomen in Finland, moesten we onszelf voorstellen. Dat is sowieso al bijzonder ongemakkelijk, maar voor mensen met een stotter zijn zo’n situaties nog zenuwslopender. Laat staan dat je jezelf moet voorstellen aan een groep van 24 logopedisten. Je raadt het misschien al: mijn voorstellingsrondje kwam er met horten en stoten uit. Al was ik niet de enige: er waren nog twee jongens die ook stotterden. Ook de voorstelling van onze casus tijdens die tweede week was er eentje vol stotters. En toch voelde ik me toen véél beter. Het is pas op die reis dat ik ten volle heb aanvaard dat ik stotter.

Ook nu stotter ik nog steeds: in de podcast, op filmpjes, tijdens therapieën met kindjes, noem maar op. En ik vind dat helemaal oké. Ik vind het zo fijn om met kindjes te werken en om aan de ouders mee te geven hoe ik dat stotteren ervaren heb in alle fases in mijn leven: de lagere school, de middelbare school, mijn studententijd, en toen ik ging samenwonen. Ik merk ook dat dat nodig is, want er heerst nog veel onrust bij ouders. Ze zijn onzeker over de toekomst van hun kind door het taboe dat rond stotteren hangt.

Ik ben dan ook enorm dankbaar dat ik dat taboe mag helpen doorbreken. Stotteren moet meer in de media komen, er moet meer over gepraat worden, on- en offline en het moet meer aanvaard worden. Want enkel zo zullen ook onze kindjes er positiever op reageren. En zullen ze het niet meer ‘abnormaal’ vinden en er (onbedoeld) kwetsende opmerkingen over geven.

Ik hoop dat ieder persoon met een stotter kan zeggen wat hij wil zeggen op elk moment. En dat hij alles bereikt wat hij wil, ondanks zijn stotter én omwille van zijn stotter.

Janne

Inhoud